Vakoverschrijdende eindtermen (VOET) tijdens elke doorlichting in het secundair onderwijs

De inspectieteams onderzoeken tijdens elke doorlichting zowel het beleid dat de school voert inzake vakoverschrijdende eindtermen als de uitvoering ervan bij de leerlingen.

Via haar onderzoek naar het VOET-beleid gaan we na hoe de school ervoor zorgt dat ze alle vakoverschrijdende eindtermen bij alle leerlingen nastreeft. De inspectieteams doen dit aan de hand van vragen die peilen naar de vier kwaliteitsaspecten: doelgerichtheid, ondersteuning, doeltreffendheid en ontwikkeling. Deze aanpak is vergelijkbaar met de beoordeling van procesvariabelen tijdens een doorlichting.

Via het onderzoek naar het VOET-beleid gaan we na hoe de school ervoor zorgt dat ze alle vakoverschrijdende eindtermen bij alle leerlingen nastreeft. De inspectieteams doen dit aan de hand van vragen die peilen naar de vier kwaliteitsaspecten: doelgerichtheid, ondersteuning, doeltreffendheid en ontwikkeling. Deze aanpak is vergelijkbaar met de beoordeling van procesvariabelen tijdens een doorlichting.

Voor het onderzoek naar de uitvoering clustert de onderwijsinspectie de eindtermen. Dit bevordert de haalbaarheid van het onderzoek maar de clustering in het inspectie-instrument is niet normerend. Scholen kunnen dus bij hun VOET-werking voor andere combinaties van eindtermen kiezen. Per cluster vragen we ons af via welke projecten, vakken of andere initiatieven de eindtermen bij welke leerlingengroepen worden nagestreefd. We bekijken de uitvoering via de contexten, via leren leren (per graad), via ICT (in de eerste graad) of via technisch-technologische vorming (in de tweede en de derde graad aso).

Het inspectieteam onderzoekt de uitvoering aan de hand van een steekproef. Daarbij kiest de school zelf een onderdeel uit de vakoverschrijdende eindtermen: één van de contexten, leren leren, ICT of technisch-technologische vorming. De onderwijsinspectie kiest voor haar onderzoek een ander onderdeel. Voor de doorlichtingen in het schooljaar 2016-2017 kiest ze daarbij uit alle mogelijke onderdelen van de VOET. School en inspectie leggen hun keuzes vast bij afsluiting van het vooronderzoek.

We verzoeken scholen die een pedagogisch geheel vormen of die samen met andere scholen leerlingen in éénzelfde vestigingsplaats hebben, vooraf te overleggen en dezelfde context te kiezen voor alle schoolnummers.

We vragen de scholen om de eigen werking in te schatten op een vierpuntenschaal: 1=onvoldoende, 2=nipt voldoende, 3=voldoende, 4=uitstekend. Deze inschatting gebeurt aan de hand van de richtvragen bij de onderdelen beleid en uitvoering in het instrument. Je vindt hier pdf bestandhet VOET-instrument in pdf (315 kB) of doc bestandhet VOET-instrument in word (222 kB). De school bereidt deze zelfevaluatie voor, maar overhandigt die voorbereiding niet aan de inspecteurs. De eigen beoordeling vormt wel een aanknopingspunt voor de gesprekken met de inspecteurs. Een lid van het inspectieteam geeft de school verdere toelichting, onder meer over de klaar te leggen documenten en de gewenste gesprekspartners.