Het concept Inspectie 2.0

Vanwaar komt het concept van Inspectie 2.0 (bijvoorbeeld het partnerschap tussen de school en de onderwijsinspectie)?

Met de nieuwe doorlichtingsaanpak van Inspectie 2.0 wil de onderwijsinspectie de kwaliteitsdriehoek school - onderwijsinspectie - pedagogische begeleiding erkennen. Elke partner speelt daarbij zijn eigen rol om de onderwijskwaliteit dag na dag en voor iedere leerling of cursist te realiseren. Door de kwaliteitsontwikkeling van de scholen expliciet te onderzoeken, wil de onderwijsinspectie elke school stimuleren als eerste verantwoordelijke voor haar onderwijskwaliteit. Dit strookt ook met internationale tendensen en wetenschappelijke onderzoeken. Bovendien schrijft de beleidsvisie van de Vlaamse regering een vertrouwen voor in instellingen en burgers. Tot slot heeft ook feedback van scholen tijdens doorlichtingsronde drie de onderwijsinspectie aangezet tot de nodige aanpassingen en bijsturingen.

Wat zijn de verschillen in Inspectie 2.0 voor de verschillende onderwijsniveaus?

Waar het gelijk kan, gebeurt het gelijk: zo is de aanpak en het verloop voor alle onderwijsniveaus hetzelfde (zowel voor het gewoon als het buitengewoon onderwijs, een autonome kleuterschool, een secundaire school met alleen een eerste graad, een academie …). Enkel de terminologie passen we aan en ook de doorlichtingsfocus wordt bepaald door het onderwijsniveau. Zo selecteren we leergebieden in het basisonderwijs, vakken in het secundair onderwijs, types in het buitengewoon basisonderwijs, opleidingsvormen in het buitengewoon secundair onderwijs, studiegebieden en modules in de CVO’s, leergebieden en vakken in de CBE’s, vakken in de academies.

Kijkt de onderwijsinspectie in Inspectie 2.0 ook naar het ‘hoe’ en niet enkel naar het ‘wat’?

De onderwijsinspectie respecteert de pedagogische vrijheid van scholen. Ze beoordeelt daarom niet de specifieke didactische aanpak van scholen. Maar de onderwijsinspectie fietst niet om de onderwijsleerpraktijk heen. Ze bekijkt of de gekozen pedagogisch-didactische aanpak tegemoetkomt aan de verwachtingen van het referentiekader voor onderwijskwaliteit  op het vlak van de vormgeving van de onderwijsleerpraktijk. Voor het leerplichtonderwijs bekijkt ze ook of de klaspraktijk leidt tot een brede basiszorg voor alle leerlingen op het vlak van leren en studeren en sociaal-emotionele ontplooiing.

Neemt de onderwijsinspectie met Inspectie 2.0 ook een beleidsinspirerende rol op?

De onderwijsinspectie maakt zeker gebruik van haar unieke positie om het Vlaamse onderwijsbeleid te inspireren en aanbevelingen te formuleren. Ze doet dit onder meer in haar jaarrapport (de Onderwijsspiegel).

In Inspectie 2.0 gaat het doorlichtingsteam ook stimuleren, wat is het verschil met de pedagogische begeleidingsdienst?

Stimuleren is geen synoniem voor ‘begeleiden’. De onderwijsinspectie reikt geen tools aan in de klassen, noch schrijft ze tips in het doorlichtingsverslag. De onderwijsinspectie wil de directies en de leraren voornamelijk stimuleren om te reflecteren over zowel hun dagelijkse klaspraktijk als over de wijze waarop ze hun kwaliteit ontwikkelen en borgen.

Heeft de ‘enquête welbevinden’ een plaats binnen Inspectie 2.0?

Scholen zijn de eerste verantwoordelijken in het bewaken van hun kwaliteit. Volgens het referentiekader voor onderwijskwaliteit  behoort het welbevinden van de leerlingen tot die kwaliteit. Van scholen wordt dus verwacht dat zij via een eigen systematiek het welbevinden van de leerlingen evalueren. Scholen kunnen ervoor kiezen daarvoor de enquête welbevinden te gebruiken.