Onderzoek gecombineerd onderwijs

Opdracht van de inspectie

Het decreet van 15 juni 2007 biedt CVO’s de mogelijkheid om gecombineerd onderwijs te organiseren en geeft de krijtlijnen aan waarbinnen dit kan gebeuren. De decretaal vastgelegde criteria hebben betrekking op het cursusmateriaal, de didactische middelen, de evaluatie en de opvolging van de cursisten. Daarnaast voorziet dit decreet in ondersteunende en begeleidende maatregelen zoals een financiering/subsidiëring aan 120 %. Om te kunnen genieten van deze bijkomende financiering/subsidiëring is een positief advies van de onderwijsinspectie vereist. Daartoe voert de onderwijsinspectie een onderzoek naar de conformiteit met de decretale criteria.

Werkwijze en instrumenten

De onderwijsinspectie vraagt formeel toegang tot de elektronische leeromgeving (ELO) van het centrum zodat ze het gecombineerd onderwijs online vanaf het leerplatform kan onderzoeken. AHOVOS brengt de centra op de hoogte van het advies.

Extra informatie

Hieronder vind je uitleg bij de gefaseerde aanpak, de criteria en de documenten die de onderwijsinspectie ter inzage vraagt.

Gefaseerde aanpak

In een eerste fase voert de onderwijsinspectie een risicoanalyse uit. Daarbij houdt ze rekening met het volgende:

  1. De mate waarin het centrum ervaring heeft met gecombineerd onderwijs in SVWO-opleidingen.
  2. De mate waarin het centrum expertise heeft opgebouwd in het organiseren van gecombineerd onderwijs. Volgende elementen worden hierbij in rekening gebracht:
    • positieve evolutie gunstige adviezen (sinds 2007)
    • verhouding gunstige/ongunstige adviezen (sinds 2007)
  3. De mate waarin het centrum kan aantonen dat het over een degelijk kwaliteitszorgsysteem beschikt.
  4. De algemene kwaliteit van het gecombineerd onderwijs voor de specifieke opleiding.
Criteria

Bij de beoordeling van het gecombineerd onderwijs gelden volgende criteria:

  1. Het voldoet aan de wettelijk bepalingen van het decreet volwassenenonderwijs.
  2. Het omvat minimaal een evaluatiemoment in contactonderwijs.
  3. Het cursusmateriaal en de didactische middelen voor het gedeelte afstandsonderwijs zijn geschikt voor multimediaal gebruik.
  4. De wijze van evalueren van het gedeelte afstandsonderwijs is duidelijk omschreven.
  5. De deelname van cursisten aan het gedeelte afstandsonderwijs wordt systematisch opgevolgd.
Online inzage

Om het onderzoek te kunnen uitvoeren vraagt de onderwijsinspectie online inzage in

  1. het uurrooster van de opleiding;
  2. het overzicht van de samenstelling van de klasgroep;
  3. het cursusmateriaal/de leerpaden voor de opleiding;
  4. de evaluaties van de cursisten;
  5. het cursistenvolgsysteem voor de opvolging van de deelname aan het afstandsonderwijs;
  6. de documenten waaruit blijkt hoe het gedeelte afstandsonderwijs wordt geëvalueerd.

FAQ